Karel Paesmans over regeneratieve landbouw bij Fruitsnacks
Regeneratieve en biologische landbouw in de praktijk Getuigenis- Regeneratieve en biologische landbouw
- Van principes naar praktijk
Karel Paesmans, beter bekend onder de naam Fruitsnacks, wil een gezonde werkplek creëren en partners inspireren met een lokaal en familiaal verhaal. Zijn bedrijf levert fruitpakketten aan ondernemingen en verzorgt ook de nodige communicatie. Centraal in de regeneratieve werking staat het versterken van de bodem. Zo zaaien ze groenbedekkers in, produceren ze zelf Johnson-Su-compost en monitoren ze de biologische bodemkwaliteit. Ook volgen ze de regeneratieve ontwikkeling van hun teelt op de voet, in samenwerking met Proefcentrum Fruitteelt (pcfruit).
Waarom stappen jullie over naar een meer regeneratieve bedrijfsvoering?
Die beslissing volgt deels uit de evolutie van de pitfruitsector in Italië, die ik goed opvolg. Italië is een groot perenland, maar de laatste jaren dalen de opbrengsten er. Vermoedelijk komt dat door de klimaatopwarming, waardoor de nood aan extra irrigatiewater toeneemt. Onbedekte bodems en te weinig toediening van organische stof doen de bodemkwaliteit verder dalen.
De impact van een slechte bodemkwaliteit weegt steeds harder door op de productiecijfers.
Ook bij ons stagneren de productiecijfers op het niveau van begin de jaren ’90, ondanks een iets groter areaal. Perenbomen blijven vaak 50 jaar staan, maar ook bij de jonge bomen ligt de productie vaak lager dan gehoopt. Elk jaar is het wel iets: te nat, te warm of te koud. Dat heeft een impact op de bodem.
Hoe verbeter je de bodemkwaliteit?
Om het waterbufferend vermogen van de bodem te verhogen, werken we al 10-15 jaar aan het organische-stofgehalte, onder andere door middel van compost. Naar ons gevoel stijgt dat gehalte vrij langzaam, met ongeveer 0,25 procentpunt per jaar. Dat zouden we graag wat sneller zien gaan!
Wat doe je bij een nieuwe aanplant?
Sinds 10 jaar planten we percelen niet meer direct aan. We zaaien eerst Japanse haver of gele mosterd in, die een seizoen lang blijft staan. Vijf of zes jaar geleden gebruikten we nog één soort groenbedekker, die we ook niet bewerkten. Inmiddels weten we dat mengsels een betere keuze zijn en dat grasklaver en microklaver goede opties zijn.
Om zoveel mogelijk jonge wortelgroei te hebben, zaaien we minimaal twee keer per jaar groenbedekkermengsels in met een tiental verschillende soorten. In de winter kiezen we voor een mengsel van granen en in de zomer zaaien we een mengsel van onder andere klaversoorten, Japanse haver, sorghum, niger, zonnebloem, vlas en Deep Till-rammenas.
Om de grond zo weinig mogelijk te bewerken, kiezen we ervoor om de wintergroenbedekker te klepelen en de zomergroenbedekker door te zaaien. Of we kneuzen de groenbedekker, waarbij het gewas wordt ingedrukt en geplet. Kneuzen laat de bodem intact en behoudt de structuur van de groenbedekker. Micro-organismen houden niet van een kapotgeslagen gewas, zoals bij klepelen het geval is.
Af en toe laten we een groenbedekkergewas ook afgrazen door schapen. Zo’n 60 schapen per 0,5 ha grazen alles af, behalve de langere stengels. Na een week worden ze verplaatst. De schapenmest zorgt voor een voorvertering van de groenbedekker.
Wat doe je met bestaande plantages?
Op dit eigenste moment laten we Shropshire-schapen de grasbanen en zwartstrook afgrazen. Zij eten alleen het groen en blijven vrij goed van de bomen af, op wat lage bladeren na. We zijn verwonderd over hoe snel en hoe goed het afgegeten is! Enkel de houtige stengels blijven staan.
Shropshire-schapen worden specifiek gehouden om aan groenbeheer te doen, dus niet voor het vlees. Het zijn ook vooral bokken. Omdat de eigenaar niet voldoende ruimte heeft om ze zelf te stallen tijdens de winter, bieden wij een staanplaats. In wijngaarden in Frankrijk worden al langer schapen ingezet: daar zijn de takken voldoende hoog, zodat de dieren er niet van kunnen eten. Sowieso staan ze in Frankrijk al wat verder in het regeneratieve verhaal, zeker telers van bio-wijndruiven, bijvoorbeeld.
Met groenbedekkers en schapen zetten we in op maximale biodiversiteit op onze percelen.
Naast groenbedekkers op de percelen hebben we ook de randen ingezaaid met facelia. Hoewel dat gewas niet zo goed is voor schapen, vormt het hier geen probleem: ze hebben voldoende andere planten om te eten! Bovendien zoeken ze altijd eerst de onkruiden op - die zullen blijkbaar lekkerder zijn.
Welke aanpassingen zijn nodig aan het beheer van de plantages?
Een volgende stap wordt machinale onkruidbestrijding. Zo willen we op regelmatige basis - bijvoorbeeld tweemaal per seizoen en na de pluk - met de lintenmaaier onder de appelbomen maaien. Bij de perenbomen kunnen schapen aan onkruidbestrijding doen. Zo kunnen we de winter wel in.
Door vaker met een zwenkmaaier en lintenmaaier te werken, hebben we minder bestrijdingsmiddelen en herbiciden nodig. Om de diversiteit aan gewassen te behouden, hebben we bovendien een zwenkmaaier die we in het midden omhoog kunnen klappen. Als we ook nog een doorzaaimachine zouden hebben, zou dat ideaal zijn. Dan is er geen bodembewerking meer nodig om grasbanen in te zaaien en kunnen we nog andere grassoorten inzetten.
We deden ook een proefje waarbij we houtsnippers aanbrachten na het planten. Die houden het vocht goed in de bodem, stimuleren de groei en houden onkruid tegen. Ze verhogen wel het risico op stikstofgebrek.
Hoe ga je om met kunstmest en compost?
Het verminderen van de kunstmestgift is nog een werkpunt. Dat willen we doen door gebruik te maken van zelfgemaakte compost, Flex-meststoffen (met vloeibare ureum), Johnson-Su-compost, compostthee en wormenextract. Deze grondstoffen zijn al verder verteerd als ze toegediend worden, waardoor het bodemleven minder hard moet werken. Volgend jaar gaan we proberen compostthee op de bomen te spuiten.
Wat doe je om ziekten en plagen te bestrijden?
We kiezen voor een appelras dat schurft- en witziekteresistent is. Zo moeten we minder spuiten en sparen we de bodemschimmels. Voor een hogere schimmel/bacterie-verhouding kiezen we voor stalmest en drijfmest met effectieve micro-organismen (een natuurlijke mix van nuttige bacteriën, gisten en schimmels). Zo kunnen we kunstmest helemaal achterwege laten. Om inzicht te krijgen in de schimmel/bacterie-verhouding, lieten we al een soil food web-analyse doen.
Voor de perenbladvlo zoeken we nog naar de beste aanpak. Nu maken we gebruik van natuurlijke middelen, zoals feromoonverwarring. We onderzoeken of we extra bloemenmengsels kunnen inzetten om nuttige organismen aan te trekken om de beestjes tegen te gaan, en we mulchen meer om meer oorwormen en dus minder luizen te hebben.
Hoe is jullie bedrijfsvoering veranderd?
Bij een regeneratieve aanpak vraagt de bedrijfsvoering meer planning. Er zijn meer machines nodig, elk met specifieke momenten om ermee te werken, en niet iedereen kan met elke machine aan de slag. Bekwame en betrouwbare mensen zijn dus cruciaal. Je bent ook meer afhankelijk van de weersomstandigheden, want de uitvoering vraagt extra tijd. De gebruikte gewasbeschermingsmiddelen zijn eerder van natuurlijke aard en je hebt vaak meer productsoorten nodig.
Overschakelen naar regeneratieve teelt vraagt meerdere jaren; het is veel uittesten en afwachten.
Wat zijn de grootste uitdagingen?
Op een aantal percelen hebben we last van woelmuizen en -ratten, die mee profiteren van de regeneratieve bedrijfsvoering. Daar hebben we nog niet echt een oplossing voor. We bestrijden ze met torenvalken, maar ze blijven steeds terugkomen. We weten ook niet goed hoe de muizen en woelratten zich verplaatsen. Bij pcfruit loopt een onderzoek hierrond; we zijn benieuwd naar het resultaat!
Hoe verloopt de afzet en de prijszetting?
Op productieniveau zijn we voorlopig nog niet aan de slag met regeneratieve teelt. We zetten de groenbedekkers vooral in op braakliggende percelen waar nog geen fruitbomen staan. Maar ik weet wel al dat de productie niet te laag mag zakken als het zover is, anders gaat het regeneratieve verhaal niet lang duren.
In een ideale wereld zouden afzetters zoals warenhuizen natuurlijk wat meer willen geven voor onze producten, omdat ze achter het regeneratieve verhaal staan. Tegelijk dalen wel de kosten doordat je input uitspaart, bijvoorbeeld van kunstmest.
Ik ben van mening dat dit vooral vrijblijvend genoeg moet blijven voor de teler. Als er een lastenboek bijkomt, worden er gewoonlijk ook strikte regels en normen opgelegd. Maar als onze bomen ziek worden, gaan we ze niet laten sterven omdat het lastenboek niet toelaat om er iets aan te doen.
Ontdek meer getuigenissen van collega-landbouwers
Leer van de ervaringen van andere landbouwers of van praktische tips van experts, loonwerkers en erfbetreders.