Ga verder naar de inhoud
Ga verder naar de inhoud

Bemesten volgens de 6 J's

Achtergrond
  • Beredeneerd bemesten
  • Efficiëntie van bemesting

Een beredeneerde bemesting houdt rekening met de 6J’s, en streeft naar zowel een goede gewasopbrengst als een goede waterkwaliteit. De bemesting wordt uitgevoerd met de juiste mestsoort, aan de juiste dosis, op het juiste tijdstip, met de juiste bemestingstechniek, op de juiste plaats en met het juiste teeltplan of teeltrotatie. 

Een beredeneerde bemesting houdt rekening met de 6J’s.  De basis van een optimale bemesting start eigenlijk al bij een goede bodem. Ga zelf aan de slag  met ons boekje “zelf je bodem testen”. Bijkomend kan je een bouwvoorananalyse nemen om inzichten te krijgen in je bodemkwaliteit. De pH en het organische-stofgehalte zijn hierin sleutelfactoren. Zo kan een suboptimale pH leiden tot een schijnbaar nutriëntentekort en een goed organische stof-gehalte heeft tal van voordelen!

De juiste mestsoort

Er bestaan verschillende mestsoorten om te bemesten. 

Dierlijke meststoffen krijgen de voorkeur omdat ze niet alleen stikstof aanvoeren, maar ook fosfor, kalium, magnesium, mangaan, boor en andere nutriënten. De keuze van de meststof bepaalt hoeveel nutriënten in de bodem terechtkomen en in welke mate er bijgedragen wordt aan de organische-koolstofopbouw. Gebruik je dierlijke mest, hou dan rekening met deze tips en richtlijnen:

  • Voor een bodem met veel fosfor is rundermest een betere keuze dan varkensmest, omdat het minder extra fosfor toevoegt.
  • Stalmest en compost leveren meer effectieve organische koolstof dan drijfmest en dragen zo bij aan een goede bodemkwaliteit.
  •  Stem de mestkeuze af op de nutriëntenvoorraad van elk perceel. Effluent bevat bijvoorbeeld veel kalium en weinig stikstof en fosfor, en is dus geschikt voor percelen met een kaliumtekort.

Kunstmeststoffen kunnen zowel vloeibaar als vast (korrels) zijn. Ook hier kan je kiezen voor een fosforarme kunstmest indien je bodem al een hoog fosforgehalte heeft. Microgranulaten zijn heel fijne meststoffen die worden aangebracht tijdens het zaaien in de rij. Zo kunnen ze stikstof afgeven vlak bij het zaad. Microgranulaten worden vaak aangevuld met biostimulanten: producten die de groei en ontwikkeling van de plant stimuleren. Ze zijn bedoeld om de efficiëntie van het nutriëntengebruik te verbeteren, de plant weerbaarder te maken tegen droogte- of warmtestress, of het verhogen van de beschikbaarheid van nutriënten in de bodem of de rhizosfeer.

De juiste dosis

Om op het einde van het seizoen een goed ontwikkeld gewas te bekomen en het risico op nutriëntenverliezen te minimaliseren is een bemestingsdosis afgestemd op je gewas en perceel cruciaal. De beschikbaarheid van stikstof in de bodem wordt bepaald door de initiële bodemvoorraad en door de aan-en afvoerposten van het nutriënt doorheen het groeiseizoen. Om in te schatten hoeveel stikstofbemesting je in totaal nodig hebt, bereken je het verschil tussen de behoefte van de teelt en de verwachte stikstoflevering door mineralisatie in de bodem. 

Laat je hiervoor leiden door onze tools of neem een bodemstaal met bemestingsadvies.

Het juiste tijdstip

De bodemomstandigheden zijn bepalend voor het tijdstip van de bemesting. Hou rekening met het vochtgehalte en de bodemtemperatuur. Wacht ook voldoende lang met uitrijden aIs je perceel heel nat is door regen, zo vermijd je bodemverdichting. De start van het bemestingsseizoen is niet voor elk gewas het meest geschikte bemestingstijdstip. Hou ook rekening met de mestkeuze. Stalmest geeft stikstof trager vrij: je kunt het best al toedienen enkele weken voor het zaaien, of zelfs in het late najaar.

Bij aardappelen en groenten wordt vaak de totale bemestingsdosis opgesplitst in meerdere fracties in de tijd! 

De juiste techniek

Werk mest in om ammoniakemissies te beperken bij het toedienen van meststoffen. Een oppervlakkige verspreiding leidt tot vervluchtiging van ammoniak, waardoor minder stikstof in de bodem terechtkomt. Hoe minder contact met de lucht, hoe kleiner de kans op vervluchtiging. Hou zeker rekening met de weersomstandigheden: bemest liever niet bij hoge temperaturen, veel wind en zonneschijn. Bij voorkeur wordt er na de toepassing lichte neerslag verwacht. Kies ook voor een emissiearme toediening: zo moet bijvoorbeeld drijfmest onmiddellijk ondergewerkt of geïnjecteerd worden. De regelgeving hieromtrent vind je terug op de website van de VLM.

Bemest zo dicht mogelijk bij de plant. Gebruik hiervoor precisietechnieken zoals rijen-of bandenbemesting.

De juiste plaats

Bemest enkel op percelen waar effectief een teelt staat. Vermijd overlap van de bemesting en hou voldoende afstand van waterlopen (respecteer de bemestingsvrije strook). Gebruik een kantenstrooier als je de randen van een perceel bemest.

Juiste teeltplan of juiste teeltrotatie

Roteer je teelten en wissel je vruchten af. Zaai bijvoorbeeld niet altijd maïs in op hetzelfde perceel. Door jaar na jaar snijmaïs te telen op hetzelfde perceel, dalen de bodemkwaliteit en het organische-stofgehalte. Dat heeft een negatieve invloed op de opbrengst. Maïs in rotatie heeft minder stikstofbemesting nodig en brengt meer droge stof op dan maïs in monocultuur. Door de verminderde bodemkwaliteit bij monocultuur wordt het perceel ook minder klimaatbestendig, waardoor extreme weersomstandigheden tot grotere opbrengstverliezen kunnen leiden.

Zaai een vanggewas in na hoofdteelt om de stikstof in het bodemprofiel verder op te nemen. Deze bodembedekking levert ook andere voordelen, zoals een lagere erosiegevoeligheid, een betere bodemstructuur en extra organische koolstof in de bodem. In het voorjaar geeft het zijn voedingsstoffen terug vrij aan de nieuwe teelt. 

Een tussenvanggewas is een vanggewas dat wordt ingezaaid na de oogst van je vroeg geoogste hoofdteelt, en voor de inzaai van je nateelt. Ze worden voor een korte periode aangehouden, een periode van 5 weken is al lang genoeg voor voldoende ontwikkeling. Een lager nitraatresidu, minder werk met onkruidbestrijding en verminderde erosie zijn slechts enkele voordelen.